Biologisch perspectief

Boosheid en agressie

Patrice van de Vorst 11 februari 2017

Agressie, identiteit en identificatie

Ik bespreek maatschappelijke boosheid en agressie van burgers in relatie tot identiteit en identificatie. Jaak Panksepp maakt onderscheid tussen boosheid en agressie. Agressie (rage) is te beschouwen als een interne psychologische druk waardoor naar een ander wordt uitgehaald. Boosheid (anger) is een emotioneel alarmsignaal in onplezierige of bedreigende sociale situaties. Vanuit een biologisch perspectief slaan emoties een brug tussen lichaam en geest, tussen gevoel en cognitie. Vele burgers ervaren boosheid, slechts enkelingen gaan over tot agressief gedrag. Emotieregulatie (inhibitie) verhindert sociale agressiviteit. In de biologie worden vormen van agressie onderscheiden, zoals agressie door roofdieren naar prooidieren en intermannelijke agressie in het broedseizoen. Panksepp vraagt zich af of deze gedragingen tot agressie gerekend moeten worden. Roofdieren tenslotte doden om te eten. Man tot man gevechten gaan over seksuele toegang tot de vrouwen en kenmerken zich door machtsvertoon en uiteindelijke onderwerping aan de overwinnaar. Panksepp noemt negatief-affectieve aanvallen binnen de eigen soort sociale agressie (rage). Hij positioneert agressie in de emotionele dynamiek van boosheid (anger) en angst (fear). Er zijn sociale situaties waarin boosheid overgaat in agressie. Zulke situaties zijn directe dreiging van lichaam en leven, situaties van vrijheidsbeperking, en situaties waarin individuen binnen een groep beperkte toegang hebben tot de algemene middelen, hulpbronnen en rechten.

Onderzoek heeft aangetoond dat de kans op agressief gedrag groter is naar onbekenden en vreemden. In stabiele sociale settingen vertonen de meeste mensen een grote acceptatie van hun sociale status. Dit evenwicht gaat wankelen indien mensen het gevoel hebben dat anderen hen hun wil opleggen, dat hogeren in rang sociale afspraken en verwachtingen niet nakomen, en indien ongelijke behandeling en onrechtvaardige bestraffing de boventoon voeren. Opvallend is dat Panksepp menselijke agressie beschouwt als instrumenteel handelen op basis van wilsbekwame afwegingen. Binnen deze aanname onderzoekt hij het verschil tussen boosheid (anger) en agressie (rage). Sociaal (kunnen) leren is een temperende factor voor de overgang van boosheid naar agressie.

Onze fenomenale neocortex, waar sociale en emotionele processen cognitief verwerkt worden, is flexibel en complex. De neocortex stelt mensen in staat rationele afwegingen te maken, te kiezen en emoties te reguleren. Sommige individuen hebben meer aanleg voor agressie; ‘the nature’ factor. Vrouwen zijn agressief in de bescherming van hun kinderen en indien hun lichamelijke, seksuele en psychologische integriteit op het spel staat. Mannen zijn meer gevoelig voor agressie vanwege de lichamelijke en neuropsychologische invloed van testosteron.

Verschil tussen boosheid en agressie

Volgens Panksepp is een emotie niet louter een reactie op een gebeurtenis in de omgeving. Boosheid en andere emoties kenmerken zich door het vermogen toegang te krijgen tot het neurale circuit van een individueel brein. Vandaar dat triggers voor boosheid bij mensen verschillen. Evenals de mate waarin boosheid gevoeld wordt. Onverschillige mensen zijn minder vaak boos. Panksepp spreekt over affectieve neuroscience; de persoon is emotioneel verbonden aan de situatie vanwege de interactie tussen stressoren uit de omgeving en individuele emotionele kenmerken. Beperking van bewegings- en handelingsvrijheid zijn ingrijpende emotionele gebeurtenissen die bij mensen boosheid opwekken. Hetzelfde geldt voor situaties waar geen beloning volgt voor geleverde inspanningen. Mensen roepen tegen hun PC of schoppen tegen een snoepmachine.

In navolging van Panksepp beschouw ik maatschappelijke frustratie als het uitblijven van een maatschappelijke beloning; de maatschappelijke inspanningen leiden niet tot maatschappelijk succes. In geval van de snoepmachine zijn de meeste mensen in staat het gevoel van frustratie cognitief te verwerken en snel van zich af te schudden. In geval van maatschappelijke frustratie beslaat dat meer tijd, meer reflectie en langere cognitieve verwerking, omdat de verliezen groter zijn. Je vindt geen baan. Je krijgt geen woning of geen hulp.

Emotieregulatie en emotie-inhibitie zijn cognitieve exercities, waarin zoeken naar en herkennen van de bron onderdeel is. Mensen onderscheiden zich van andere zoogdieren doordat ze de bron van boosheid kunnen externaliseren. Door de bron van boosheid van zichzelf te verleggen naar anderen, kan een ander -of de overheid- als oorzaak van de boosheid aangewezen worden. Bij mensen is boosheid -naar Panksepp- een competitief instrument om de kans op maatschappelijke beloning te vergroten en toegang te krijgen tot de maatschappelijke middelen en mogelijkheden. Vanwege de hoge cognitie -emotieregulatie en inhibitie- kunnen mensen kiezen welke triggers zij tot hun emotionele systeem toelaten en welke agressieve acties zij wel of niet inzetten. Daarnaast zijn mensen via emotionele spiegeling, empathie en inlevingsvermogen in staat emoties van zichzelf en van anderen te conceptualiseren. Dat leidt tot rationele afwegingen om agressie te beteugelen. Mensen zijn wellicht de meest agressieve diersoort, maar tegelijkertijd behept met het beste neuro-emotionele arsenaal om agressie te onderdrukken.

Mensen maken in de overgang van boosheid naar agressie situationele keuzen tussen fright, flight en fight. Sommige mensen voelen boosheid en reageren daarop met apathie en onverschilligheid (flight). Sommigen worden bang en durven zich niet meer te verroeren (fright). En sommigen gaan inderdaad vechten (fight). In slechts zeer geringe gevallen letterlijk met de vuist (rage). Vaker vechten zij in overdrachtelijk zin door alternatieve oplossingen te bedenken en actief maatschappelijke veranderingen te entameren (boosheid).

Boosheid in de maatschappelijke context

Feiten en cijfers wijzen uit dat een overweldigende minderheid de grens van boosheid naar agressie overgaat. Ondanks repeterende boodschappen in de media blijken agressieve mensen de uitzondering op de regel. Mensen die hun agressie beteugelen, sociaal vaardig en zelfkritisch reflectief zijn, halen de krant nooit. In dit essay bespreek ik het dominante politieke dogma dat persoonlijke omstandigheden ten onrechte tot identiteit rekent. Op basis van één situationeel kenmerk worden mensen in doelgroepen verdeeld, waaraan een set van rechten en plichten hangt.

Het overheidsprimaat op identiteit

dentiteit maakt dat mensen zich onderscheiden van anderen. Iedereen is uniek binnen een groep. Mensen hechten aan hun identiteit omdat deze henzelf, hun zijn, representeert. In het huidige debat wordt de identiteit van burgers platgeslagen. De publieke identiteit is een platte versie van identiteit. Zij is opgebouwd uit hetgeen de overheid en anderen van je weten. De publieke identiteit is een anonieme identiteit, omdat zij verbonden wordt aan situationele omstandigheden, die tot doelgroep identificatie leiden. Je bent een werkloze, een armlastige, ziek, arbeidsgehandicapt, enzovoorts. De publieke identiteit doet zelden recht aan de ‘ware’ identiteit van burgers, en gaat voorbij aan zichzelf ergens mee identificeren -mee vereenzelvigen-. Identiteit is zijn. Zichzelf identificeren met -identificatie- is doen.

De verwarring tussen zijn (identiteit) en doen (identificatie) bereikt momenteel een hoogtepunt. Enerzijds heeft de burger de maatschappelijke opdracht een zelfstandig, autonoom en sociaal-economisch onafhankelijk individu te worden (doen). Anderzijds verhoedt overheidsbeleid dat een specifieke burger zelfstandig en autonoom oplossingen zoekt en acties onderneemt (doen). Het doelgroepenbeleid is namelijk gebaseerd op persoonlijke omstandigheden (doen en zijn in een context), zoals armlastig zijn, schulden hebben, zorg behoeven, zonder werk of gehandicapt zijn, geen dak boven je hoofd hebben, in contact zijn met de GGZ, bepaalde leeftijd hebben bereikt, een woning nodig hebben. De overheidsselectie op omgevingsfactoren doet geen recht aan identiteit noch aan identificatie van burgers. Tot identificatie reken ik alternatieve oplossingen bedenken, creatief zijn, het anders doen, een set van morele waarden en normen uitleven om een oplossing te bedenken voor het eigen probleem. Kortom; inzet van de eigen emotio- en neurodiversiteit in een unieke persoonlijke situatie (doen in een context).

Doelgroepenbeleid ontkent individualiteit, identiteit en identificatie van burgers. Blijkbaar is het voor de overheid té ingewikkeld om haar eigen dogma, autonoom en zelfstandig worden, om te zetten in beleid en regelgeving die daarbij past. Zonder aanziens des persoons behoren vele burgers inmiddels tot een of meer doelgroepen op basis van hun persoonlijke situatie. Als een burger, zonder zeggenschap op de labeling, door de overheid naar zijn situatie tot een doelgroep wordt gerekend, staan hem drie mogelijkheden ter beschikking. De burger ziet af van de rechten omdat de bijbehorende plichten hem tegenstaan (flight). De burger legt zich neer bij besluiten van een gelegitimeerde vierde macht die plichten kan opleggen en eisen kan stellen (fright). Of de burger overtreedt of bestrijdt de regelgeving en de uitvoering van beleid (fight). Burgers ervaren bovengenoemde keuzen dagelijks aan den lijve.

De uitvoering van doelgroepenbeleid kent vele boosheid opwekkende triggers. Een daarvan betreft barrières opwerpen voor toegang tot maatschappelijke rechten, middelen en hulpbronnen. Te duiden als omkering van de bewijslast. Wie zijn baan verliest moet aantonen dat hij buiten zijn schuld werkloos is, anders wordt de toegang tot een uitkering hem ontzegd. Mensen hebben in zulke situaties het gevoel dat anderen hen hun wil opleggen. Een tweede boosheidtrigger is dat de armlastige of woningzoekende burger geconfronteerd wordt met het dominant politiek dogma. Instanties kaatsen via het principe van ‘de eigen verantwoordelijkheid’ het probleem terug naar de burger. Hoewel de eigen invloedssfeer te klein is om het probleem op te lossen wordt de zwerfjongere, de bejaarde, de zorgbehoevende aangemoedigd -gedwongen- beter zijn best doen. Pas dan kan een beroep gedaan worden op overheidshulp en op de algemene middelen.

De burgerlijke opdracht -zelfredzaamheid- bepaalt (hoe) iemand de modelburger moet worden die de overheid voor ogen staat. De burger schiet als individu (zijn) tekort en wordt daarvoor gestraft met onthouden van toegang tot de set van mogelijkheden. Het doelgroepenbeleid hanteert een dwingend principe waardoor de burger zich moet conformeren aan en moet identificeren met een voorgeschreven hoe. Dat ondermijnt zijn identiteit en ontneemt hem persoonlijke identificatie met de wijze waarop en de reden waarom. Omkering van de bewijslast en het dominante politieke dogma leiden tot burgerlijke boosheid, en in sommige gevallen tot agressie. Juist burgers die vertrouwen op de overheid en het stelsel van waarden en normen onderschrijven, ervaren boosheid als zij slechts op bepaalde wijze (hoe) toegang krijgen tot tot rechten, middelen en mogelijkheden. Zij voelen zich buitengesloten en keren zich van de maatschappij af.

boosheid en agressie burgerlijke ongehoorzaamheid doelgroepenbeleid emotie-inhibitie emotieregulatie fight flight fright identificatie identiteit